For best experience please turn on javascript and use a modern browser!
You are using a browser that is no longer supported by Microsoft. Please upgrade your browser. The site may not present itself correctly if you continue browsing.
Al ruim 750 jaar is Amsterdam een stad waar mensen naartoe trekken op zoek naar kansen, vrijheid en nieuwe mogelijkheden. Maar van wie ís deze stad eigenlijk? Stadshistoricus Tim Verlaan ziet die vraag als rode draad door de geschiedenis, van 19e-eeuwse oproeren tot hedendaagse woonprotesten. ‘In steden woedt altijd een strijd: wie heeft de macht over straten en pleinen, wie kan er wel of niet wonen, en wie voelt zich veilig in de publieke ruimte?’
Tim Verlaan (foto: Bob Bronshoff)

In het Amsterdam van nu komt de strijd om de stad het meest tot uiting op de woningmarkt: voor veel studenten en starters is een betaalbare woning tegenwoordig onbereikbaar. ‘Steden worden vaak vergeleken met roltrappen’, vertelt Verlaan. ‘Je begint onderaan, als student, en gaandeweg bouw je een netwerk op, maak je vrienden, vind je je eerste baan. En dan ga je, aan het einde van de roltrap, de stad weer uit. Maar die roltrap is gestopt met draaien. Om de analogie van een collega te gebruiken: de stad is geen emancipatiemachine meer, het is een sorteermachine geworden. De mensen met geluk of rijke ouders kunnen hier wonen, anderen niet of nauwelijks.’

Extreem ontoegankelijk

‘Dat hangt samen met de flexibilisering van de arbeids- en woningmarkt: veel mensen hebben niet meer de zekerheid van een vast contract of een woning met een onbepaalde huurperiode. En mede door beleid is er een enorme krapte op de woningmarkt. Steden zijn daardoor extreem ontoegankelijk geworden.’

Vroeger kwamen mensen linksom of rechtsom meestal toch wel aan een woning. Dat is nu veel ingewikkelder.’

Woningnood is niet nieuw, vertelt Verlaan: ‘Eeuwenlang trokken mensen al naar steden toe – niet zozeer voor studie of zelfontplooiing, maar vooral om een baan te vinden en te ontsnappen aan armoede. Mensen leefden in de stad vaak in slechte omstandigheden. Maar linksom of rechtsom kwamen ze meestal toch wel aan een woning. Dat is nu veel ingewikkelder.’

De stad als decor van protest

Juist als toegang tot de stad onder druk staat, laait het conflict over de vraag van wie de stad is verder op. Verlaan: ‘Wie de geschiedenis van Amsterdam bekijkt, ziet dat de vraag van wie de stad is ook op straat wordt uitgevochten. Vaak woedt er in steden een klassenconflict. In de 19e en 20e eeuw waren er bijvoorbeeld de Jordaanoproeren, elke 20 à 30 jaar, waarbij (werkloze) arbeiders de straat opeisten. Er woonden daar veel mensen dicht op elkaar die het slecht hadden –  leefomstandigheden die de onvrede aanwakkerden.’

In de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw krijgt protest een nieuwe vorm: provo en later de krakersbeweging gebruiken de stad als decor. Verlaan: ‘De stad wordt een podium om te laten zien: deze plek is ook van ons. Dat dat juist in Amsterdam veel gebeurde, is geen toeval: met twee universiteiten heeft de stad veel jonge mensen, en dat maakt het een broedplaats van tegencultuur.’

Migratie en spreidingsbeleid

Dat een plek in de stad niet vanzelfsprekend is, geldt in de geschiedenis van Amsterdam ook voor wie zich er wil vestigen. Verlaan: ‘Steden bestaan bij de gratie van migratie. In tijden van epidemieën, armoede en oorlog was instroom van nieuwe bewoners essentieel om de bevolking op peil te houden. In onze tijd trekt de stad veel meer dan voorheen economisch succesvolle en dus draagkrachtige groepen aan. Ongeveer de helft van de mensen die nu in Amsterdam wonen, woonde hier tien jaar geleden nog niet. De bevolkingssamenstelling verandert razendsnel. Maar migratie gaat bijna altijd gepaard met conflict over wie waar mag wonen.’

(foto: Bob Bronshoff)

Amsterdam kende (en kent) onder meer grote Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen in de Bijlmer, en groepen Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in de 19e-eeuwse wijken in West. ‘In de jaren zeventig leidde dat tot het zogeheten spreidingsbeleid,’ vertelt Verlaan, ‘waarin ambtenaren en woningcorporaties afspraken maakten om in bepaalde buurten geen “buitenlanders” meer toe te laten – een ambtelijke categorie waar toen ook Surinamers en Antillianen onder vielen. De gemeente zei in feite: “Er wonen te veel mensen zoals u, u komt deze buurt niet meer in”. Dat is een zeer problematisch uitgangspunt, maar het laat goed zien hoe beleid soms bepaalt van wie de stad mag zijn.’

Toerisme is geen natuurfenomeen dat een stad zomaar overkomt, het is beleidsmatig aangejaagd.

De wrange vruchten van citymarketing

Sinds de jaren zeventig is er een nieuwe groep bij gekomen in de stad: de toerist. Verlaan: ‘Toen scheepswerven en fabrieken vertrokken, zocht Amsterdam naar nieuwe bronnen van inkomsten en ontdekte het toerisme.’ De drukte, overlast en hoge woningprijzen in de stad zijn volgens hem niet los te zien van keuzes in citymarketing, ruimtelijke ordening en (nationaal) woonbeleid. ‘Toerisme is geen natuurfenomeen dat een stad zomaar overkomt, het is beleidsmatig aangejaagd. Steden gingen internationaal concurreren om bezoekers, en daar plukken we nu de wrange vruchten van.’

En waar we eerst vooral keken naar de balans tussen bewoners en bezoekers, is daar vooral in de laatste jaren nog een extra laag bij gekomen: het besef dat de stad niet alleen van mensen is. Verlaan: ‘De stad is ook van dieren, en van het ommeland waar ons voedsel vandaan komt. In de moderne tijd hebben steden van alles gedaan om de natuur in te dammen en buiten de deur te houden. Maar over honderd jaar is Amsterdam niet meer dezelfde stad als nu, door de kracht van de natuur.’

In de moderne tijd hebben steden van alles gedaan om de natuur in te dammen en buiten de deur te houden.

De historicus wijst op scenario’s waarin een extreme regenbui, zoals eerder in Limburg gebeurde, lang boven Amsterdam blijft hangen. ‘Dan heb je misschien twee weken geen drinkwater, geen elektriciteit, tunnels die onderlopen. Daar is de stad niet op voorbereid. Misschien is het uiteindelijk de natuur die bepaalt van wie de stad is, als stijgend water en extreem weer de grenzen van wat leefbaar is gaan bepalen.’

Dr. T. (Tim) Verlaan

Faculty of Humanities

Geschiedenis