1 July 2026
Op een vrijdagmiddag, terwijl veel studenten zich richting de borrel begeven, stroomt lokaal C0.110 op het Science Park juist vol. Studenten, alumni en onderzoekers verzamelen zich voor een sessie met als thema “Innovations for Forensic Biological Casework”. De middag bestaat uit vier lezingen: twee van promovendi en twee van onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).
De eerste spreker, Yoram Goedhart, doet promotieonderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam naar het belang van omgevingsbemonsteringen op de plaats delict. Hij benadrukt dat het analyseren van enkel een object, zoals een mes, onvoldoende is om conclusies te trekken over de aard van de aanwezigheid van DNA en de rol van een verdachte. DNA kan namelijk op verschillende manieren op een object terechtkomen, bijvoorbeeld via indirecte overdracht of doordat het al langer aanwezig is. Goedhart stelt dat uitgebreider onderzoek naar de directe omgeving van een object essentieel is om alternatieve scenario’s uit te sluiten. Door bijvoorbeeld ook de tafel waarop een mes ligt te testen, kan men beter bepalen of DNA via indirecte overdracht op het wapen terecht is gekomen. Hoewel zijn onderzoek veelbelovend is, merkt hij op dat de praktische implementatie nog uitdagend is, mede door de aanvullende kosten die er aan verbonden zijn.
De tweede spreker, Jaimy Meeuwissen, is buitenpromovendus bij de HvA en richt zich op het fenomeen ‘Individual Shedding Propensity’ (ISP). Dit verwijst naar de neiging van een persoon om biologisch materiaal, zoals huidcellen, achter te laten. Al sinds eind jaren negentig is bekend dat mensen hierin verschillen, maar er is nog veel onbekend over dit fenomeen. Meeuwissen onderzoekt welke factoren ISP beïnvloeden en hoe deze variëren tussen individuen. Hij onderscheidt drie categorieën: biologische factoren (zoals huidkenmerken), gedragsfactoren (bijvoorbeeld hygiëne en sportactiviteiten) en omgevingsfactoren (zoals temperatuur en luchtvochtigheid). De instabiliteit van deze factoren maakt het onderzoek complex. Het voorstel is daarom om alleen (relatief) stabiele en intrinsieke persoonlijke factoren mee te nemen in het concept van ISP.
Meeuwissen benadrukt dat beter inzicht in ISP van groot belang is voor forensisch onderzoek. In zaken zoals femicide, waarbij de dader vaak een bekende van het slachtoffer is, kan de aanwezigheid van DNA moeilijk te interpreteren zijn. Er is nog weinig bekend over hoeveel DNA van een partner of bekende normaal gesproken op het lichaam aanwezig is, en welk effect ISP hierop heeft. Om dit te onderzoeken, start zijn team een studie waarin de lichamen van vijftig vrouwelijke deelnemers worden bemonsterd. Hierbij worden ook hormonale factoren, zoals de menstruatiecyclus, meegenomen.
Na de presentaties van de promovendi nemen Judith Gits en Margreet van den Berge van het NFI het woord. Hun onderzoek richt zich op de relatie tussen DNA en RNA bij het identificeren van celtypes en donoren. Hoewel alle cellen hetzelfde DNA bevatten, verschilt het RNA per celtype.
De onderzoekers wijzen erop dat het met de huidige technieken niet mogelijk is om een koppeling te maken tussen celtype (RNA) en donor (DNA). Momenteel kan op DNA- en RNA-niveau los van elkaar een uitspraak gedaan worden over wie er DNA kan hebben bijgedragen aan een bemonstering en welke celtypes aanwezig zijn in een bemonstering. Het is echter nog niet mogelijk om een specifiek celtype te koppelen aan een donor. Bij een mengsel van meerdere donoren bleef de vraag ‘van wie is het bloed’ tot nu toe onbeantwoord. De afgelopen jaren heeft het NFI technieken ontwikkeld waarmee deze vraag te adresseren is.* Met financiering vanuit de Stuur Groep Keten Innovatie wordt de toepassing van deze methode in zaakwerk onderzocht in een pilot study tussen Politie, OM en NFI.
De laatste spreker van de middag is Corina Benschop, eveneens werkzaam bij het NFI op de afdeling Biologische Sporen. Haar presentatie richt zich op de bredere vraag wie de bijdrager is van DNA in een spoor, bijvoorbeeld op een plaats delict. Door de jaren heen is de vraag naar DNA-onderzoek sterk toegenomen. Hoewel de analysetechnieken steeds geavanceerder en verder gerobotiseerd zijn, blijft de handmatige analyse en interpretatie van DNA-resultaten arbeidsintensief en tijdrovend**. Dit vormt een uitdaging binnen het forensisch onderzoek, waar snelheid vaak cruciaal is.
Een mogelijke oplossing ligt volgens Benschop in automatisering. Sinds enkele jaren zijn diverse softwaretools beschikbaar die forensisch DNA-onderzoek ondersteunen. Door deze te integreren in een volledig geautomatiseerd proces – van ruw DNA-profiel tot rapportage aan politie en Openbaar Ministerie – kan een aanzienlijke tijdswinst geboekt worden. Het ontwikkelde systeem heet de ‘Snelle DNA Identificatie Lijn’ (Snelle ID Lijn). Benschop beschrijft hoe deze methode zich heeft ontwikkeld van concept tot praktijk, via onderzoek en casestudies.
Sinds 2025 zijn alle politie-eenheden aangesloten op de Snelle ID Lijn en ontvangen zij de automatische rapporten binnen enkele dagen. Het gehele proces wordt nauwkeurig gemonitord en in alle zaken volgt daarnaast nog een handmatig rapport met eventuele aanvullende resultaten. Het onderzoek naar de Snelle ID Lijn gaat voort, waardoor de toepassingsmogelijkheden verder worden uitgebreid. Al met al zet deze aanpak een belangrijke stap richting efficiënter forensisch DNA-onderzoek.
Na afloop van de sessie verlaten de deelnemers geïnspireerd de zaal. Sommigen blijven napraten over de gepresenteerde onderzoeken, terwijl anderen zich richting de borrel begeven, waar discussies worden voortgezet. De bijeenkomst onderstreept de sterke verbinding tussen academisch onderwijs en de forensische praktijk. Voor veel studenten biedt dit niet alleen waardevolle inzichten, maar ook een blik op hun toekomstige werkveld.
* De Cell2Donor assay die hiervoor gebruikt wordt is gebaseerd op het feit dat RNA verschilt per celtype; zo bevatten bloedcellen een andere RNA-samenstelling dan speekselcellen. Door de RNA-samenstelling te onderzoeken kan de aard van celmateriaal bepaald worden. RNA wordt gevormd uit DNA. De persoonsonderscheidende puntmutaties vanuit het DNA zijn daarom ook aanwezig in het RNA. Dit maakt dat RNA, naast het bepalen van het celtype, ook gebruikt kan worden om het celtype te koppelen aan individuele donoren.
** Een handmatig DNA-onderzoek kan, afhankelijk van de complexiteit van de zaak, meerdere weken in beslag nemen. In urgente gevallen kan deze doorlooptijd worden teruggebracht tot slechts enkele uren, maar deze versnelde werkwijze is zeer arbeidsintensief en alleen geschikt voor kwalitatief hoogwaardige DNA-sporen. Daardoor kan deze aanpak ‘slechts’ in enkele honderden, en niet duizenden, zaken per jaar worden ingezet.