For best experience please turn on javascript and use a modern browser!
You are using a browser that is no longer supported by Microsoft. Please upgrade your browser. The site may not present itself correctly if you continue browsing.
Het aantal aanslagen met vuurwerkexplosieven is sterk toegenomen in Nederland. Als de politie na een explosie een verdachte aanhoudt op of rond de plaats delict, kunnen handen en kleding worden bemonsterd. Maar hoe is de aanwezigheid van flitspoedersporen op huid of kleding vervolgens te linken aan een aanslag? Dat onderzocht Irene van Damme van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in haar promotieonderzoek aan de UvA. De hoofdrolspeler in haar onderzoek? De stof perchloraat.
Flitspoeder van Cobra's (foto: NFI)
Flitspoeder van Cobra's (foto: NFI)

In Nederland zijn er gemiddeld 29 explosies, of pogingen daartoe, per week. De gebruikte explosieven bevatten in de meeste gevallen flitspoeder, bijvoorbeeld uit illegaal vuurwerk zoals de Cobra 6. Van Damme heeft als eerste ter wereld onderzoek gedaan naar de stof perchloraat als marker voor contact met flitspoeder. Een marker is een herkenbare stof waaraan je de aanwezigheid van een andere stof kunt afleiden. Van Damme: ‘De impact van aanslagen met explosieven op de samenleving is enorm. Als je weet hoe uniek het is dat perchloraatsporen ergens in een bepaalde hoeveelheid worden aangetroffen, dan kunnen rechters een wetenschappelijk onderbouwde uitspraak doen over een link tussen het delict en de verdachte.’

Bemonsteren tijdens de jaarwisseling

Perchloraat is een vast en goed meetbaar ingrediënt van flitspoeder. Het team Explosies en Explosieven (E&E) van het NFI was al in staat om perchloraat aan te tonen en de concentratie ervan te bepalen. Door de groeiende hoeveelheid zaken met vuurwerkexplosieven ontstond de vraag naar uitgebreider forensisch onderzoek. Daarbij gaat het vooral om wat het aantreffen van kleine hoeveelheden perchloraat precies betekent.

Buitenlandse studies toonden al aan dat deze stof niet zomaar voorkomt in het milieu. Van Damme: ‘Om erachter te komen of dat ook voor Nederland geldt, hebben we door het hele land allerlei handen en objecten bemonsterd. Ook hebben we op de dag vóór en op de dag na de jaarwisseling op verschillende plekken monsters genomen van objecten in buitenomgevingen. Deze data toonden aan dat perchloraat in Nederland inderdaad niet willekeurig voorkomt, en dat als het wél aanwezig is op handen, er doorgaans een link is met beroepsmatig gebruik.’ In enkele zaken zijn de nieuwe data van Van Damme al gebruikt om de bewijswaarde van aangetroffen perchloraat te onderbouwen.

Flitspoeder op hand (foto: NFI)
Flitspoeder op hand (foto: NFI)

Explosievenonderzoek op activiteitenniveau

Een ander deel van het promotieonderzoek ging over de overdracht van flitspoeder. Stel dat analyses aantonen dat een verdachte uitzonderlijk veel perchloraat op huid en kleding heeft. Dan kan die verdachte allerlei ontlastende verklaringen afleggen: dat hij toevallig in de buurt was op de dag van de explosie en alleen wat vuurwerksnippers heeft opgeraapt. Of dat hij die dag een aantal mensen de hand heeft geschud van wie de sporen afkomstig zijn. In zo’n geval is de relevante onderzoeksvraag niet meer óf perchloraat is aangetroffen, maar hoe het daar terecht is gekomen. In de wetenschap wordt dit ‘onderzoek op activiteitenniveau’ genoemd. Dit soort onderzoek deed het NFI al met DNA-sporen, schotresten, vezels, glasdeeltjes en microsporen. Nu kan dit dus ook met sporen van explosieven.

Handenschudden voor de forensische wetenschap

Om te meten hoe perchloraat wordt overgedragen, deed Van Damme allerlei verschillende experimenten. Zo moesten proefpersonen hun handen eerst op een vel met flitspoeder drukken en vervolgens een andere ‘schone’ proefpersoon een hand geven, die op zijn of haar beurt weer een voorwerp (van onder andere glas, katoen en plastic) vastpakte. Andere personen moesten direct een voorwerp vastpakken, dat vervolgens weer door anderen werd opgepakt. Van Damme: ‘Zo kon ik bepalen hoeveel variatie er zat in overdracht tussen personen, maar ook welke materialen perchloraat het beste vasthouden.’

Bommenfabriek

Om iets te zeggen over sporen van perchloraat in de omgevingen waar explosieven worden gemaakt, heeft Van Damme in 2024 ook een ‘bommenfabriek’ nagemaakt in de onderzoeksbunker van het NFI, waar haar collega’s monsters van explosieven demonteren om de lading te bepalen. Van Damme: ‘Als iemand een vuurwerkexplosief maakt, doet hij eigenlijk hetzelfde: eerst haalt hij het flitspoeder uit het vuurwerk, om het vervolgens in bijvoorbeeld een plastic zakje te stoppen en dat in te tapen. In dit experiment maten we de hoeveelheid perchloraat die zich door de ruimte verspreidde. Ook bepaalden we hoeveel er achterblijft in de neus, haren, handen en kleding als je een explosievenlab in- en weer uit gaat als bezoeker van die ruimte. Dezelfde metingen deden we ook bij onze eigen onderzoekers die explosieven demonteren in het lab. Zij stonden model voor de ‘bommenmakers’. Zo kregen we een realistisch beeld hoe perchloraat wordt overgedragen in een ruimte waar de explosieven worden gemaakt.’

Irene van Damme (foto: NFI)
Irene van Damme (foto: NFI)

Samenwerking

Van Damme deed een bachelor in Biomedische wetenschappen en vervolgens de master Forensic Science aan de UvA. Tijdens haar master werd ze gegrepen door de vele mogelijkheden van de chemische analyse. Na haar afstudeerstage bij de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) begon ze aan haar promotieonderzoek bij het NFI. Vier jaar heeft Van Damme hieraan gewerkt. Inmiddels is ze aan de UvA gepromoveerd op dit onderzoek. De perchloraatstudies waren een samenwerking van de UvA en het NFI, waaraan ook veel internationale collega’s hebben bijgedragen, zoals de Federal Bureau of Investigation (FBI).

Toekomst

Het promotieonderzoek van Van Damme is een springplank voor veel meer onderzoek. Zo is bijvoorbeeld nog niet duidelijk hoe lang perchloraat detecteerbaar is. Wat als iemand zijn handen een tijd niet heeft gewassen? Van Damme: ‘We gaan door met vervolgonderzoek, maar onze expertise zal ook groeien door de kennis die we opdoen in ons zaakonderzoek. Elke keer als ik weer iets lees over een aanslag, dan weet ik weer dat dit onderzoek er echt toe doet en we nog lang niet klaar zijn.’